[Kader 1] Nieuw-Zeeland: de schaduwkant van privatisering
Een van de meest extreme experimenten van marktgeleide hervormingen ter wereld slaagde er niet in om de inwoners van de belangrijkste stad van Nieuw-Zeeland een goede dienstverlening te leveren. Van februari tot mei 1988 had de complete zakenwijk van Auckland, het belangrijkste zakencentrum van het land, geen stroom door het uitvallen van de hoofdstroomtoevoer. Bedrijven moesten draagbare generatoren gebruiken of er moest ergens anders gewerkt gaan worden en duizenden werknemers moesten thuisblijven.
Mercury, het geprivatiseerde plaatselijke energiebedrijf, heeft 128 miljoen Australische dollar uitgegeven aan schadevergoedingen aan boze klanten en aan reparaties. In juli 1998 kondigde Mercury aan dat het geen dividend kon uitbetalen, omdat het bedrijf van een winst van 82,1 miljoen Australische dollar in 1997, was gedaald tot een verlies van 25,3 miljoen Australische dollar tot aan maart 1998. Een officieel onderzoek toonde aan dat de leidinggevenden en de technici al enige jaren op de hoogte waren van de kwetsbaarheid van de toevoerleidingen, maar het bedrijf was te druk bezig geweest met zijn overnamemanie om plannen te maken voor een alternatieve toevoer (Rosenberg en Kelsey, 1999).
De stroomuitval was slechts een van de vele gevolgen van het Nieuw-Zeelandse schoolvoorbeeld van een proces van structurele aanpassing, dat in 1984 was begonnen en dat ieder potentieel commerciële overheidsdienst omvatte. Wat dit proces anders maakte dan dezelfde processen in zuidelijke landen is, dat het niet werd uitgevoerd als voorwaarde van de Wereldbank, het IMF of regionale ontwikkelingsbanken. Om precies te zijn, het was het resultaat van een dramatische ideologische omslag in de heersende arbeiderspartij, die in de jaren tachtig van de twintigste eeuw haar traditionele sociaal-democratische ideeën inwisselde voor Thatcheriaans liberalisme. Na 1990 werd dit proces doorgezet door een regering die beweerde dat ze voor vrij ondernemerschap was, maar eigenlijk een traditioneel bemoeizuchtige, conservatieve nationale regering was.
De privatisering van de elektriciteit begon in 1986 toen het toenmalige elektriciteitsbedrijf werd omgedoopt tot Electricorp, een door de staat gedreven onderneming die in drie afzonderlijke operationele onderdelen verdeeld was, te weten de productie van elektriciteit, het transport en de verkoop. De bedoeling was dat concurrerende markten op alle niveau’s zouden gaan opereren. In 1993 zette de regering een grote hoeveelheid regionale energiebedrijven op, waarvan aandelen werden aangeboden aan elektriciteitsgebruikers. Van daaruit was het slechts een kleine stap naar de volledige overname van het elektriciteitsaanbod door een handvol buitenlandse ondernemingen.
De grootste weerstand tegen de privatisering van energie is altijd van lokale gemeenschappen gekomen. Organisaties van burgers hebben druk uitgeoefend op hun plaatselijke vertegenwoordigers om het eigendom van overheidsgoederen terug te krijgen en gemeenteraden zijn verwikkeld geweest in verhitte debatten. Door bepaalde marktvriendelijke trekken van de Nieuw-Zeelandse wetgeving was het moeilijk voor gemeenschappen om hun doel te bereiken, maar degenen die ervoor gezorgd hebben dat de elektriciteitsinfrastructuur in plaatselijke overheidshanden bleef, waren het meest succesvol.

.png)


.jpg)