[Kader 3] De VS: leren van de mislukte deregulering in Californië
De bewering dat elektriciteitsderegulering het leven van mensen zal verbeteren door de voorziening te verbeteren en de energieprijzen te verlagen, kan zelfs in het land dat het wereldwijde proces van economische liberalisering leidt, geen stand houden. Er is ruim voldoende empirisch bewijs uit de hele VS: terwijl consumenten een hogere prijs betalen en minder kwaliteit krijgen, hebben energiebedrijven in gedereguleerde markten recordwinsten geboekt. In Californië is het aantal ongeplande incidenten van stroomuitval met 461% toegenomen sinds de deregulering, waaronder een reeks rampzalige elkaar opvolgende stroomstoringen in 2000 en 2001 (Slocum, 2001).
De crisis in Californië heeft aangetoond hoe het een kartel van energiebedrijven was toegestaan om miljarden dollars van consumenten, bedrijven en belastingbetalers te stelen, waardoor het een van de grootste miskleunen van overheidsbeleid uit de moderne Amerikaanse geschiedenis werd. De afschaffing van federale controles op elektriciteitstarieven na 1996 zorgde ervoor dat energiebedrijven het aanbod konden manipuleren, kunstmatige tekorten konden opwekken, hun voorraden kunstmatig konden opdrijven en zo onverhoopte winst konden genereren. In ruil daarvoor zal de deregulering van de elektriciteit die in 1996 werd doorgevoerd de inwoners van Californië ongeveer 71 miljard dollar kosten, oftewel 2100 dollar per man, vrouw en kind in de staat, wanneer het geld wordt meegeteld dat is uitgegeven aan het opkopen van de nutsbedrijven, energiecontracten op de lange termijn en gerelateerde uitgaven (FTCR, 2002).
In Californië zorgden de eigenaars van elektriciteitscentrales opzettelijk voor stroomstoringen om een zware belasting te leggen op de voorraad en om de groothandelsprijzen op te drijven. Daarbij komt dat de onafhankelijke systeembeheerder van Californië, een door de federale overheid ingesteld orgaan dat fungeert als verkeersagent voor de elektriciteitsstroom, ontdekte dat de energieproducenten de federale nutsbedrijven in december 2000 opzettelijk 247 miljoen dollar te veel in rekening brachten en in januari 2001 315 miljoen (Slocum, 2001).
De nutsbedrijven werden in de VS sinds het begin van de twintigste eeuw gereguleerd om de consumenten te beschermen tegen de kapitaalintensieve monopolies die energiecentrales en hoogspanningsleidingen bezaten. Onder het oude systeem, dat nog steeds van toepassing is in de meeste Amerikaanse staten, betekende regulering gegarandeerde winsten voor nutsbedrijven maar ook stabiele prijzen voor de consument en een betrouwbaar aanbod van elektriciteit. Deze regeling begon aan het begin van de jaren negentig te veranderen, toen grote industriële elektriciteitsgebruikers begonnen te roepen om deregulering zodat ze buiten het gebied van hun nutsbedrijf konden zoeken naar lagere prijzen.
Met de deregulering trad de wet van vraag en aanbod in werking en werden consumenten kwetsbaar voor enorme prijsveranderingen en voorraadtekorten. Nutsbedrijven werden gedwongen hun energiecentrales aan derden te verkopen, waarbij ze veranderden in detaillisten die elektriciteit op de groothandelsmarkt kochten en haar aan de klanten verkochten. Wetgevers namen aan dat nieuwe detailhandelaren op elektriciteitsgebied zouden opstaan om met de gevestigde nutsbedrijven te concurreren, en dat de concurrentie op deze open markt de prijzen laag zou houden. De nieuwe eigenaars van elektriciteitscentrales werden echter niet gereguleerd, zodat Californië de controle over zowel de groothandelsprijzen die werden berekend door de marktpartijen op energiegebied als over de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit verloor. Gegeven het feit dat slechts een paar ondernemingen de centrales op de nieuwe gedereguleerde markt kochten, konden deze ondernemingen het aanbod beheersen en kunstmatig hoge prijzen rekenen.
De nieuwe elektriciteitsmarkt zorgde voor onverhoopte winst voor de eigenaars van energiecentrales en handelaren. Alleen de federale energieregulerende commissie had de macht om de groothandelsprijzen in Californië te reguleren, maar ze koos voor een afstandelijke benadering van de groeiende crisis. Energiegigant Enron, een actieve speler op de Californische markt, was een van de grootste financiële ondersteuners van president Bush.
Gealarmeerd door de chaos in Californië zijn veel Amerikaanse staten die bezig waren met deregulering op de rem gaan staan. Arkansas heeft de invoering nog een jaar uitgesteld. Nevada heeft de invoering voor onbepaalde tijd stopgezet. Montana zal waarschijnlijk de dereguleringswet behoorlijk wijzigen nadat de prijzen omhoog zijn geschoten. New Mexico stelt de invoering nog vijf jaar uit en de wetgevers in Oklahoma denken erover om de invoering nog twee jaar uit te stellen. Nog steeds geloven andere staten dat als ze maar snel genoeg nieuwe energiecentrales bouwen, ze dan gevrijwaard zijn van een crisis als in Californië. Door het hele land heen worden beleidsmakers onder druk gezet om nieuw beleid te maken voor een strengere regulerende macht, behoudende maatregelen en duurzame energiebronnen.
Terwijl de crisis zich ontwikkelde, bleven Los Angeles en de andere 30 Californische steden met door de gemeente beheerde energie als enige onaangetast. De Californische crisis heeft het onder gemeentelijk beheer brengen van energie door het hele land heen sterk doen toenemen, waaronder ook een reeks steminitiatieven over plaatselijk beheer door de overheid van de productie en distributie van energie in San Francisco, New Orleans, Portland en andere grote steden. In Californië zelf houdt een brede coalitie van bezorgde burgers, milieuactivisten, consumentengroeperingen, vakbonden, gemeenschapsgroeperingen en kleine bedrijfjes zich bezig met de Power to the People campagne voor schone, betaalbare en publieke energie.

.png)


.jpg)