1.2 Na liberalisering wordt elektriciteit goedkoper
Vaak wordt liberalisering verkocht als een manier om de prijs voor de consument te verlagen. Internationaal bewijs toont echter aan dat het omgekeerde wel eens waar zou kunnen zijn. Immers, gedereguleerde en geprivatiseerde producenten en distributeurs worden vaak niet beperkt in hun bepaling van de prijs, en toezichthouders zijn niet altijd in staat om eisen te stellen aan de minimumreserve aan stroom om een elektriciteitstekort te voorkomen. Marktdeskundigen op energiegebied betogen dat prijzen en reserves door de markt zelf op het gunstigste niveau komen, maar in de jacht op hogere winsten kunnen private opwekkers van energie de voorraden beperken door de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit te verminderen, hetgeen tekorten en prijsstijgingen veroorzaakt.
In Californië, toen in 1996 de deregulering was ingevoerd, betoogden de liberalen dat de prijzen met minstens twintig procent zouden dalen, maar na de crisis van 2000, toen de groothandelsprijzen de lucht in schoten, betoogden dezelfde voorstanders dat de consumentenprijs nog verder zou stijgen om verdere concurrentie aan te moedigen. Intussen leverden de publiek beheerde elektriciteitsbedrijven een tegengesteld voorbeeld. Terwijl de private bedrijven hogere prijzen bepleitten, waren 30 gemeentes in Californië met gemeentelijk beheerde en gecontroleerde elektriciteitsbedrijven in staat om dezelfde elektriciteit tegen lagere prijzen aan te bieden (Hauter en Slocum, 2001).
Enron en andere energiehandelaren dreven tijdens de energiecrisis in Californië de prijs op door middel van twijfelachtige technieken waarvan bedrijfsjuristen hebben gezegd dat ze “zouden kunnen hebben bijgedragen” aan ernstige stroomtekorten, volgens bedrijfsdocumenten die in mei 2002 door Amerikaanse federale regulatoren werden vrijgegeven. “Deze documenten bewijzen dat deze bedrijven de markt kunnen manipuleren,” zei de voorzitter van de Californische Commissie voor Nutsbedrijven. Een strategie die werd beschreven in de memo’s hield in dat Enron energie zou kopen op een door de staat gedreven wisselhandel voor 250 dollar per megawattuur – het maximum onder de prijsbeperking – en het buiten de staat weer zou verkopen voor vijfmaal zoveel (Oppel en Gerth, 2002).
In Europa heeft liberalisering van de energiemarkt zeker geleid tot prijsdalingen, maar voornamelijk voor de zakelijke sector. Er werd betoogd dat “het effect van liberalisering niet een verlaging van de elektriciteitsprijs over de hele linie is geweest, maar eenvoudigweg een geen-winst-geen-verliessituatie waarin consumenten relatieve prijsverhogingen ondergingen waardoor zakelijke afnemers lagere prijzen hoefden te betalen” (Hall, 2001:8). In maart 2002, op de Europese top in Barcelona, stemden de Europese leiders ermee in om de bestaande EU-wetgeving te veranderen zodat ongeveer 60 procent van de gas- en energiemarkt in 2004 geliberaliseerd zou zijn, zonder dat de burgers van de lidstaten ook maar waren geraadpleegd.

