1.4 Overheden kunnen kiezen: niemand legt privatisering en deregulering op
Privatisering en deregulering worden aan overheden opgelegd onder druk van de ideologie en van donoren, eerder dan door een zorgvuldige analyse van de plaatselijke situatie en waarschijnlijke voordelen. De liberalisering van de energiesector is maar al te vaak een voorwaarde die wordt gesteld in de standaard ‘intentieverklaringen’ die overheden aan de Wereldbank, het IMF en regionale ontwikkelingsbanken moeten schrijven.
De ‘Washington Consensus’ heeft het liberaliseringbeleid op een nogal simplistische manier bekrachtigd. Het World Development Report uit 1997, ‘The State in a Changing World’, leek erop te wijzen dat de WB privatisering niet meer steunde, ten gunste van een sterke en krachtdadige staat. Uit een nadere analyse hiervan en van andere officiële documenten blijkt echter dat er weinig daadwerkelijk is veranderd. In het bovengenoemde verslag betoogde de Bank dat privatisering en deregulering niet in twijfel moeten worden getrokken, en dat de mensen zouden moeten worden ‘overtuigd’ van de voordelen van hervorming door middel van het ‘opbouwen van overeenstemming’. In september 1999 introduceerden het IMF en de WB de zogenoemde Poverty Reduction and Growth Facility (PRGF), dat de wereldwijd bekritiseerde Enhanced Structural Adjustment Facility (ESAF) verving als het ‘nieuwe’ raamwerk voor het toewijzen van leningen. Het hardnekkige ideologische vooroordeel tegen de publieke sector werd bevestigd door de gebeurtenissen die in 2001 leidden tot de energiecrisis in Brazilië (zie kader 2), toen zowel het IMF als de WB zware beperkingen oplegden aan overheidsinvesteringen die de crisis hadden kunnen voorkomen.
De grote nieuwe zaakwaarnemer van de wereldwijde liberalisering is de WTO. Als energie niet langer een “dienst is die wordt verleend in de uitoefening van overheidsautoriteit”, dan wordt de sector onderworpen aan bepaalde WTO-regels die het buitenlandse bedrijven toestaan tewerk te gaan zonder rekening te houden met nationale regels (Vander Stichele, 2002). Een reeks uitgelekte vertrouwelijke documenten die was opgesteld door de Europese Commissie voor de voortdurende onderhandelingen over de liberalisering van de dienstenhandel (GATS 2000), onthulde de eisen die de EU stelde aan de lidstaten van de WTO – onder andere de Verenigde Staten, Japan, Canada, Mexico, Brazilië, Colombia, Uruguay, Zuid-Korea en India. De uitgelekte documenten laten zien dat de druk toeneemt om de energiesector open te stellen voor internationale concurrentie, waaronder ook de volledige deregulering van de opwekking, het transport en de distributie van elektriciteit wordt begrepen; Bullet11 http://www.gatswatch.org/.
Privatisering is ook een voorwaarde die wordt opgelegd aan de armste zuidelijke landen voordat ze opgenomen worden in het initiatief voor zwaar met schuld belaste, arme landen (Heavily Indebted Poor Countries HIPC). Om in aanmerking te komen voor schuldvermindering moeten de ontvangende landen laten zien dat ze de structurele hervormingen die zijn opgesteld door de WB en het IMF aanvaarden en in staat zijn een zogenaamd ‘Poverty Reduction Strategy Paper’ te schrijven, dat letterlijk bezaaid is met beloftes van privatisering (Bayliss, 2002).

.png)


.jpg)