1.5 Energieliberalisering is goed voor de democratie
Door liberalisering kunnen bedrijven nationale economieën en de politiek gemakkelijker beheersen. Private ondernemingen zijn in staat om voormalig publieke monopolies opnieuw te creëren. Op de lange termijn worden multinationals steeds machtiger en wordt het energieaanbod gevoelig voor de veranderende belangen van wereldwijde ondernemingen. De internationale elektriciteitsmarkt wordt beheerst door een kleine groep Amerikaanse en Europese multinationals. De eerste twee op de lijst zijn een soort verdeling van de wereld overeengekomen, waarbij Endesa de grootste investeerder in Latijns-Amerika is (zie kader 4) en AES veel van de geliberaliseerde markten van Oost-Europa, Afrika en Azië overneemt.
Dit proces blijft niet beperkt tot de arme zuidelijke landen. In Europa betekent de voortdurende concentratie van bedrijfsmacht dat de EU in 2005 door zes of zeven elektriciteitsbedrijven zal worden gedomineerd. Deze ondernemingen hebben zich al buitengewoon goed in de positie geplaatst om gezamenlijk te gaan werken of om een kartel te gaan vormen om regeringen onder druk te zetten, de prijs te beheersen en de concurrentie te beperken. In België is het private monopolie Electrabel met zijn Duitse concurrent RWE overeengekomen om de werkzaamheden van het Duitse BASF op een 50-50 basis te verdelen (Hall, 1999 en 2001). In hun jacht op winst sluiten bedrijven geen middel uit om concurrentie te voorkomen. Eén basisstrategie was om mogelijke concurrenten op te kopen, ondanks overheidspogingen om de elektriciteitssector uit elkaar te trekken om te voorkomen dat de markt beheerst zou gaan worden door een monopolie. Bedrijven hebben laten zien dat ze in staat zijn om regels te ontduiken door een grote variatie aan overnames, fusies, speculatieve handel en andere dubieuze marktstrategieën. Het wekt geen verbazing dat het Enronschandaal de sterke verbintenis van privatisering en deregulering aan de ene kant, en corruptie en vriendjespolitiek aan de andere kant, onthulde (zie kader 5).
In 2000 werd wat een mijlpaal in de geschiedenis van de privatisering in de Filippijnen had moeten worden, een enorm schandaal. Twee linkse parlementariërs onthulden dat nadat het wetsvoorstel om het nationale energiebedrijf te privatiseren was aangenomen, beide kantoren een ongevraagde bijdrage van ieder 12.500 dollar ontvingen. Zij hadden tegen privatisering gestemd, hetgeen leidde tot de speculatie dat degenen die vóór hadden gestemd, meer hadden ontvangen. Het afkoopschandaal was niet slechts een geval van corrupte politiek in het zuiden. Het is een voorbeeld van de enorme druk van externe donoren om staatsbedrijven te privatiseren. Het is absoluut geen absurd vermoeden dat de Asian Development Bank (ADB) medeplichtig is aan het omkoopschandaal, aangezien die bank zelf had toegegeven dat ze 55 gevallen van corruptie hadden onderzocht waarbij personeel en uitvoerende kantoren in het Aziatische gebied rond de Grote Oceaan betrokken waren (Bello, 2000).
Regeringen worden er vaak toe gedreven om uitgebreidere vergunningen te verlenen om investeerders aan te trekken of om aan de eisen van de donoren tegemoet te komen. Zulke vergunningen omvatten het toewijzen van ‘speciale’ belastingvoordelen, zoals de eis die AES stelde aan de regering van Honduras: ontheffingen voor een volledige vrijhandelszone voor de bouw van een elektriciteitscentrale. Een ander voorbeeld is het verzoek van AES aan de Oegandese autoriteiten om directe vergoeding van de BTW die was betaald tijdens de bouw van een extra elektriciteitscentrale (Baylisss, 2002).
Ondanks hun inspanningen slagen buitenlandse ondernemingen niet altijd in hun pogingen om zuidelijke regeringen onder druk te zetten. In april 2002 kondigde Ecuador aan dat de verkoop van zeven elektriciteitsdistributiebedrijven van de baan was, nadat de bedrijven die mochten bieden – Union Fenosa uit Spanje, AES uit de VS en Pecom uit Argentinië - zich hadden teruggetrokken na zware tegenstand van plaatselijke gemeentes en een negatieve uitspraak van het constitutionele hof (Hedgecoe, 2002). Op dezelfde wijze bepaalde het Mexicaanse hooggerechtshof in maart 2002 dat de nationale elektriciteitsmarkt niet verder gedereguleerd mocht worden, waarbij de uitbreidingsplannen van de Electricité de France en de Spaanse bedrijven Iberdrola en Union Fenosa gestopt werden (Aznarez, 2002).

