1.6 Privatisering en deregulering is goed voor de armen

Tijdens de derde voorbereidende bijeenkomst voor de wereldtop over duurzame ontwikkeling (World Summit on Sustainable Development WSSD), rapporteerde een comité van internationale specialisten dat twee miljard mensen op de wereld geen toegang hebben tot moderne elektriciteitsdiensten, vooral in landelijke gebieden.
Tijdens die bijeenkomst werd de conclusie getrokken dat dit “één van de dringendste ontwikkelingszaken is waar de wereld vandaag de dag voor staat” en werd er gevraagd om een “integratie van beleid op plaatselijk en landelijk niveau” (Gayatriiyer, 2002)

Het aanhouden en uitbreiden van het elektriciteitsaanbod voor niet-winstgevende groepen is niet het doel van commerciële bedrijven die zoeken naar een zekere en zo groot mogelijke commerciële opbrengst. Commerciële bedrijven staan niet te springen om in landelijke gebieden te investeren, en als de tarieven te laag zijn om winst te maken zullen ze proberen om ze te verhogen, zelfs als dat botst met de sociale of economische doelstellingen van de regering. Daarom zijn zelfs na privatisering en deregulering de regeringen verantwoordelijk voor het voorzien van iedere sociale sector van betaalbare elektriciteit. Het aantal beschikbare opties is beperkt: regeringen kunnen private ondernemingen subsidiëren of, minder voor de hand liggend, ze kunnen een grens vaststellen voor wat deze bedrijven mogen rekenen. Prijsniveau’s zijn uiteindelijk in essentie een politieke aangelegenheid. Er is geen ‘marktprijs’ wanneer het postliberale scenario gewoonlijk resulteert in zaken doen zonder concurrentie (Bayliss, 2001).

De liberalisering van de energiesector heeft in het bijzonder effect gehad op de zogenaamde ‘overgangs’maatschappijen van Midden- en Oost-Europa. Aan de ene kant zorgde de abrupte afschaffing van subsidies voor de ontwikkeling van energie-efficiënte technologieën, die enige positieve gevolgen voor het milieu opleverde. Aan de andere kant zorgde de afschaffing van subsidies voor ernstige sociale gevolgen. Door de hogere elektriciteitsprijzen in een context van groeiende armoede en teruglopende overheidsinkomsten hebben grote delen van de maatschappij geen toegang tot het elektriciteitsnetwerk. De gewetenloze, commerciële praktijken van de nieuwe elektriciteitsleveranciers zijn zelfs door de Wereldbank geprezen. In een document waarin de bedrijven van AES in Georgië worden geëvalueerd, schreven ambtenaren van de WB dat “de creatieve methode die door dit bedrijf wordt toegepast om betalingsachterstanden van consumenten die in gebreke blijven te innen, moeten worden opgemerkt.” Omdat het niet mogelijk was om afzonderlijke appartementen af te sluiten vanwege een betalingsachterstand, ontwikkelde AES methodes om hele appartementenblokken in een keer af te sluiten, en volgens de WB “was het bedrijf door een strikte toepassing van deze methode in staat om het ontstaan van schulden te ontmoedigen en de schuldinning te verbeteren.” In de ijskoude Georgische winter betekent dit dat de armen gedwongen worden om tot wel 40% van hun maandelijkse inkomen te besteden aan het betalen van de elektriciteitsrekening (Kochladze, 2001).

Dezelfde onorthodoxe en gewetenloze methodes werden in Moldavië toegepast. Union Fenosa, het Spaanse bedrijf dat 60% van het elektriciteitsnetwerk van het land kocht, voerde in 2000 een verplichte inventarisatie van de elektrische apparaten in de huizen van mensen uit. Hoe meer apparaten men bezat, hoe hoger de rekening waarschijnlijk zou worden. Vanuit het perspectief van de vakbeweging is dit een schending van de mensenrechten, maar volgens een zegsman van Union Fermosa “moeten mensen zich realiseren dat we een commercieel bedrijf zijn, geen filantropen.” Net als in Georgië zijn de prijzen sinds de val van de Sovjet-Unie zo ver gestegen dat grote delen van de bevolking ze niet meer kunnen betalen. Sommigen bezuinigen door nog maar nauwelijks elektriciteit te gebruiken. Veel anderen zijn gedwongen om de meter te omzeilen en illegale verbindingen met de elektriciteitscentrale aan te leggen (Rainsford, 2001).

Stijgende en onstabiele prijzen leggen in het bijzonder druk op de consumenten met een laag inkomen, zelfs in de rijkere noordelijke landen. In de Verenigde Staten besteedt de gemiddelde consument met een laag inkomen 19% van zijn inkomen aan elektriciteit. Voor de armste van deze gezinnen, waarvan de meeste ouderen zijn of eenoudergezinnen, beslaat die last een kwart van het inkomen. Een verhoging van de elektriciteitsrekening “is eenvoudigweg niet op te brengen zonder minder uit te gaan geven aan voedsel, achterop te raken met de huur, of de benodigde medicijnen niet meer te kopen.” (Oppenheim, 2001:13).

De privatisering van winstgevende nutsbedrijven leidt gewoonlijk tot een verlies aan overheidsinkomsten die hadden kunnen worden gebruikt om sociale programma’s te subsidiëren die door de federale overheid worden uitgevoerd. Uit een onderzoek door de Wereldbank uit 1998 over privatisering in Afrika, dat melding maakte van bijna 2700 transacties in Afrika ten zuiden van de Sahara tot aan het eind van 1996, bleek dat veel van de bedrijven die waren geprivatiseerd geen gelden hadden onttrokken aan de overheidsmiddelen (Campbell, White en Bhatia, 1998). Het verlies van belangrijke bronnen van federale inkomsten kwam ook in Canada en Colombia voor (zie kaders 4 en 6). Dit was ook een belangrijke reden voor de lange en grotendeels succesvolle strijd van de vakbonden in Uruguay voor het voortbestaan van het commercieel levensvatbare energiebedrijf dat in handen van de overheid was, bestaande uit onder andere een reeks referenda tegen privatisering en deregulering (AUTE, 2001).

Wat betreft werkgelegenheid hebben de internationale vakbonden ICEM (chemie, mijnbouw en energie) en PSI (overheidsdiensten) uitvoerig bewijs geleverd van de negatieve invloed van liberalisering van de energiesector op de hoeveelheid banen. Deze beweringen worden ondersteund door een wereldwijd onderzoek dat is gepubliceerd door de International Labour Office (ILO), waarvan de conclusie was dat “verlies aan banen bijna altijd gepaard gaat met aanpassingen bij de openbare nutsbedrijven, zowel bij privatisering als bij herstructurering” (De Luca, 1998: xii). In hetzelfde rapport werd betoogd dat verlies aan banen kan vóórkomen voordat er sprake is van privatisering – aangezien regeringen de nutsbedrijven aantrekkelijker proberen te maken voor potentiële kopers – en het feit werd benadrukt dat “het niet ongewoon is dat het personeel met 30 tot 50% wordt ingekrompen” (: xii).

1 Zoals in de meeste landen van het zuidelijk halfrond heeft het alternatief van hydro-elektriciteit in Brazilië een beduidende invloed op sociaal en milieugebied gehad. De bouw van dammen heeft ervoor gezorgd dat ongeveer een miljoen mensen moesten verhuizen, zonder enige financiële compensatie. De kunstmatige reservoirs hebben de gezondheidsomstandigheden verslechterd en de ecologische balans van de omliggende gebieden veranderd (Honty, 2002).

2 SEEN is een gezamenlijk project van het Institute for Policy Studies (IPS, Washington) en het Transnational Institute (TNI, Amsterdam).