2.1 De grondbeginselen van energieliberalisering

Energieliberalisering verwijst naar een veelomvattende reeks institutionele veranderingen die door de hedendaagse bedrijfstak van de elektriciteitsvoorraad raast, vaak met gelijktijdige veranderingen in het patroon van eigenaarschap en de wijze van controle (zie figuur 1). Terwijl de overheid het grootste deel van de nutsbedrijven bezat en ze onder een gereguleerd monopolie werkten (type A), proberen veel landen tegenwoordig om hun elektriciteitsbedrijven te privatiseren en om concurrentie te introduceren op de elektriciteitsmarkt (type D). Sommige landen hebben concurrentie ingevoerd zonder privatisering (type C), maar de meeste initiatieven voor energieliberalisering zijn opgezet om zowel privatisering als concurrentie tot stand te brengen. In zeldzame gevallen privatiseren landen de nationale nutsbedrijven gewoonweg of sluiten ze beheercontracten met private bedrijven zonder concurrentie in te voeren, maar zulke maatregelen worden vaak genomen als aanloop naar een uiteindelijke overgang naar type D.

Waar de bedrijfstak van de elektriciteitsvoorraad verticaal geïntegreerd is, houdt de overgang van type A of B naar type D meestal de splitsing van de industrie in bedrijven voor productie, transport en distributie in, aangezien concurrentie alleen kan worden ingevoerd bij de onderdelen productie en voorraad van distributiebedrijven. De zogenoemde “lijnbedrijven” zoals transport en distributie blijven gereguleerde monopolies. Daarom is in de meeste landen de drang naar privatisering en liberalisering voornamelijk gericht op de sector productie, terwijl er ook pogingen worden ondernomen om bedrijven op het gebied distributie en transport te privatiseren (zie Brennan e.a., 1996 voor details).

De weg naar energieliberalisering is niet altijd eenvormig, en er zijn verschillende fases. De overgang van overheidseigendom naar privé-eigendom kan bijvoorbeeld in gang worden gezet door aandelen van de regering aan het publiek te verkopen en commerciële beginselen te introduceren in de werking van openbare nutsbedrijven. De overgang naar het private energieregime kan dan verder worden versneld door de introductie van de zogenoemde onafhankelijke energieproducenten (OEP’s) en/of de rechtstreekse verkoop van tot die tijd door de regering beheerde energiefaciliteiten aan private bedrijven (zie Keet, 2000 voor meer informatie over verschillende manieren van privatisering).

Er zijn ook verschillende strategieën om concurrentie in de elektriciteitssector te introduceren. Sommige landen beginnen met beperkte concurrentie gebaseerd op onderhandelingen tussen een koper (normaal gesproken een transport-/distributiebedrijf of een onafhankelijke overheidsinstelling) en een aantal generatoren over overeenkomsten voor de aankoop van energie (OAE’s) op de lange termijn. Andere landen gaan direct over tot de fase van eenrichtingsverkeer van groothandelsconcurrentie, waar generatoren op een energiemarkt bieden op contracten voor de energievoorraad op korte en lange termijn. Sommige gaan vanaf deze fase nog verder en voeren een tweerichtingsverkeer van groothandelsconcurrentie in, waarin zowel veel distributiebedrijven als grote industriële en commerciële consumenten aan de vraagzijde van een energieruil kunnen bieden of hun energieaanbieder kunnen kiezen door middel van bilaterale contracten. In de fase van concurrentie tussen detaillisten wordt de keuze van de consument uitgebreid tot detailhandelaren (zie Hunt en Suttleworth, 1997 voor details).