2.2 Energieliberalisering in historische context
Hoewel privatisering en liberalisering tegenwoordig als een onontkoombare kracht worden voorgesteld, is het slechts een recent fenomeen dat de private sector en marktsystemen opkomen als belangrijk onderdeel van de industrie voor elektriciteitsvoorraad. In feite is het de publieke sector geweest die gedurende het grootste deel van het elektriciteitstijdperk werd gezien als de geschiktste leverancier van elektriciteitsdiensten.
De grote betrokkenheid van de publieke sector in de elektriciteitsindustrie heeft veel te maken met de technische ontwikkeling. Omdat de nutsbedrijven gericht waren op de schaalvoordelen zowel bij vraag als aanbod, ontwikkelden elektriciteitssystemen zich tot een van de meest gecentraliseerde technologische netwerken op grote schaal (zie Hughes, 1984; Messing e.a., 1979 voor details). Aangezien het opzetten van een dergelijk netwerk een zeer kapitaalintensief project was met een lange terugverdientijd, maar aanzienlijke maatschappelijke voordelen, moest de publieke sector in veel landen de grootste verantwoordelijkheid op zich nemen om mensen van elektriciteit te voorzien. Zelfs waar private bedrijven actief waren in de elektriciteitswereld (bijv. in de VS, Duitsland en Japan), speelden regeringen een belangrijke rol bij het bouwen van elektriciteitsnetwerken, soms een ondersteunende rol en andere keren een concurrerende rol tegenover de private macht (Patterson, 2000).
Terwijl de elektriciteitssystemen die door publieke en/of private monopolies zijn gebouwd, mogelijk zijn gemaakt door productie en consumptie van elektriciteit op grote schaal in veel delen van de wereld, creëerden ze toch ernstige problemen. Enorme projecten als waterdammen op grote schaal, kernreactoren en energiecentrales op kolen zijn de bron geworden van ernstige milieuvervuiling en ecologische verslechtering, waarbij de gemeenschappen in de buurt van de projecten worden aangetast. Ondanks dergelijke problemen hebben de elektriciteitsbedrijven samen met de bouwbedrijven en materiaalverkopers in hun eentje een almaar groeiend elektriciteitsgebruik in de meeste geïndustrialiseerde landen tot stand gebracht. Als resultaat hiervan is de afhankelijkheid van elektriciteit in deze landen tot een onwenselijk niveau gestegen, terwijl veel ontwikkelingslanden lijden onder “elektriciteitsarmoede” veroorzaakt door een gebrek aan financiële en technische ondersteuning van hun behoeften.
Deze problemen zijn verergerd door de ondemocratische wijze van bestuur waardoor het besluitvormingsproces in de elektriciteitssector wordt gekenmerkt. Maar al te vaak werden de belangrijke beslissingen over de elektriciteitsvoorraad genomen door een kleine kring van technische experts, regeringsambtenaren en belangrijke zakenmensen. Zo’n bestuursstructuur, samen met de monopoliepositie van nutsbedrijven, heeft ervoor gezorgd dat elektriciteitsbedrijven zich hebben ontwikkeld tot grote belangengroeperingen met hun eigen politieke en economische agenda. Omdat er ook nog geen effectieve overheidssupervisie is, zijn de elektriciteitsbedrijven in veel landen veeleer een bron van corruptie, vriendjespolitiek en stemmentrekkende staatsprojecten geworden dan een bewaker van publieke belangen.
Aan het eind van de twintigste eeuw is er een reeks voorstellen gedaan om de bovengenoemde zaken aan te pakken, evenals de economische problemen die werden veroorzaakt door oplopende kosten voor de productie van elektriciteit nadat de olieprijzen waren gestegen. Sommige voorstellen hielden bijvoorbeeld in dat we terug moesten naar gedecentraliseerde energiesystemen op kleine schaal, waarvan men dacht dat die economisch beter gedijden, milieuvriendelijker waren en sociaal rechtvaardiger dan de bestaande systemen (zie Lovins, 1978). Verder werden er, als een manier om een nieuw energiebeleid te vormen, verschillende regulerende hervormingen voorgesteld om de bestaande elektriciteitsmonopolies efficiënter en beter controleerbaar te maken (bijv. de regeling betreffende geïntegreerde planning van voorzieningen gebaseerd op prestaties, die later gedetailleerd zal worden besproken).
Een steeds groter wordende invloed van het neoliberalisme en van de tendens van economische globalisering heeft het debat over de energiesector echter op een ander niveau gebracht. Op basis van het geloof dat staatsbemoeienis met economische activiteiten geminimaliseerd zou moeten worden, hebben neoliberale hervormers de privatisering en liberalisering van de elektriciteitssector sterk gepromoot, met het argument dat de private sector efficiënter is dan de publieke sector, en dat markten de bronnen efficiënter kunnen inzetten dan overheden.
Een dergelijk geloof in de markt werd ook weerspiegeld in en vergroot door het beleid van internationale financiële instellingen. Hoewel ze enorme sommen geld plachten uit te lenen aan de openbare nutsbedrijven, houden ze nu vol dat het openbreken van de tot dusver gemonopoliseerde elektriciteitssectoren voor wereldwijde concurrentie bijna de enige manier is om kapitaal en technologieën naar die landen te brengen waar ze nodig zijn (Tellam, 2000). Geleidelijk begon niet de vraag “of” maar “hoe” de elektriciteitssector geliberaliseerd zou moeten worden het debat over de hervorming van de energiesector te domineren. Als resultaat hiervan werden voorstellen voor gereguleerde hervormingen gebaseerd op publieke energieregimes steeds irrelevanter.

