2.3 Tegenstellingen

Centraal in het paradigma over energieliberalisering staat het geloof dat elektriciteit behandeld moet worden als een privaat goed en niet als publieke dienst. Voorstanders beweren dat dit de omstandigheden voor “zelfregulerende” markten zou creëren, die automatisch zouden zorgen voor optimale niveaus van vraag en aanbod en optimale prijzen. Er werd beloofd dat de elektriciteitsprijs bij liberalisering uiteindelijk lager zou worden, omdat nieuwe technologieën en efficiëntere bedrijven zouden staan te popelen om de markt op te gaan en de duurdere aanbieders zouden verdrijven.

De ervaring heeft tot nu toe echter geleerd dat het creëren van een daadwerkelijk concurrerende elektriciteitsmarkt heel erg moeilijk is. Nadat er bijvoorbeeld als eerste elektriciteitsmonopolies zijn gesplitst in verschillende bedrijven, reïntegreerden deze bedrijven in veel landen weer verticaal en horizontaal door fusies en acquisities. Daarom was het resultaat van de energieliberalisering in veel gevallen de vorming van elektriciteitsoligarchieën, die vaak worden gedomineerd door machtige multinationals en transnationale bedrijven.

Natuurlijk kan een striktere invoering van antimonopoliewetten voorkomen dat elektriciteitsmarkten door slechts een paar bedrijven worden gedomineerd. Zoals duidelijk werd in de elektriciteitscrisis in Californië, kunnen zelfs de generatoren of handelaren met een middelmatige marktinvloed elektriciteitsmarkten beïnvloeden. Ze kunnen de prijs van elektriciteit opdrijven door af en toe de capaciteit niet te gebruiken, totdat de systeemoperators zich haasten om de laatste megawatturen te kopen die nodig zijn om de balans van vraag en aanbod op dat moment te houden, hetgeen van levensbelang is bij de exploitatie van een gecentraliseerd elektriciteitsnetwerk (zie Byrne en Mun, 2001). Onder dergelijke omstandigheden wordt de bewering dat concurrentie het motief van winstmaximalisering van private ondernemingen zou onderdrukken, waardoor de prijzen zouden zakken, steeds zwakker.

Nog belangrijker is dat de eigenlijke elektriciteitsmarkten die door de energieliberalisering zijn gecreëerd verre van “zelfregulerend” bleken te zijn. Aangezien de individuele keuzes voor elektriciteitstransacties hele netwerken kunnen beïnvloeden, zou een geëigend overheidslichaam de marktactiviteiten in de gaten moeten houden en moeten reguleren om de betrouwbaarheid van het systeem te waarborgen. Helaas zijn regulerende maatregelen voor het adequate toezicht op marktactiviteiten veel complexer dan de maatregelen die bij een gereguleerd monopolie nodig zijn. In landen waar institutionele capaciteiten ontbreken, wordt daardoor de liberalisering van elektriciteitsmarkten een zeer riskante aangelegenheid.

Kortom, de energieliberalisering probeert de logica van de markt op te leggen aan de gecentraliseerde technische structuur van het elektriciteitssysteem zonder haar echt om te zetten om compatibel te zijn met gedecentraliseerde marktactiviteiten. In veel gevallen resulteert dit in meer centralisering, zowel in de technische als in de economische structuren van de elektriciteitssectoren. Zonder regels om de publieke belangen te beschermen zullen de elektriciteitsmarkten daardoor beheerst worden door en het belang dienen van al machtige economische instellingen gebaseerd op de bestaande technische infrastructuur in plaats van dat deze markten fungeren als een neutraal speelveld voor concurrerende technische en economische belangen. Niettemin vinden de voorstanders van liberalisering vaak dat de regering niet moet ingrijpen in elektriciteitsmarkten omdat “de markt zijn werk moet doen.” Hierdoor verminderen zij op effectieve wijze de ruimte voor publieke acties en laten ze de markt overnemen door specifieke belangen.

De gevolgen van energieliberalisering blijven niet beperkt tot de technische en economische sfeer. Door alles onder de mislukte belofte van economische efficiëntie onder te brengen, laat de energieliberalisering vaak bestaande sociopolitieke en milieutechnische problemen onbeantwoord en zorgt ze voor nieuwe uitdagingen op het gebied van het voldoen aan het doel van gelijkheid en duurzaamheid.

De energieliberalisering zou bijvoorbeeld de ongelijke machtspositie in de elektriciteitssector verder bevestigen, de ongelijkheid tussen de werknemers en het management, tussen producenten en consumenten en tussen grootschalige, rijke consumenten en kleinschalige, arme consumenten vergroten. In het proces van splitsing en privatisering van openbare nutsbedrijven probeert het management van elektriciteitsbedrijven bijvoorbeeld om een groot aantal werknemers te ontslaan onder het mom van efficiëntieverhoging. Hoewel het geen belangrijke drijvende kracht achter energieliberalisering is, is het verzwakken van de macht van vakbonden soms een verborgen agenda van de liberaliseringregeling (bijv. in het geval van Groot-Brittannië).

Aangezien de energieliberalisering een hogere gevoeligheid voor het marktpotentieel en de winstgevendheid van de infrastructuurvoorziening bevordert, richten elektriciteitsbedrijven zich nu zorgvuldig op geprofileerde socio-economische groepen en plaatsen (Guy e.a., 1997). Daarom zou, zelfs als er een verbetering in de efficiëntie optreden waardoor de kosten van de productie van elektriciteit lager zouden worden, dit voordeel niet evenwichtig worden verdeeld. De grote energiegebruikers zullen in staat zijn om over de laagst mogelijke prijs te onderhandelen met concurrerende aanbieders, maar thuisgebruikers en kleine bedrijfjes zullen dan voor de dure energie die overblijft moeten betalen (RAGE, 1999).

Verder zou het kunnen gebeuren dat, met de geleidelijke verdwijning van ‘cross-subsidies’ en het afkalven van het concept van universele dienstverlening, de armen geen toegang meer hebben tot elektriciteit of dat ze dienstverlening van mindere kwaliteit krijgen. Aangezien elektriciteit een dienst is die essentieel is voor sociale en economische ontwikkeling, zal het afsluiten of niet aansluiten van niet-winstgevende gemeenschappen ernstige negatieve sociale gevolgen hebben. Wat in een micro-economische analyse logisch is, kan op macro-economisch niveau een enorme klap betekenen voor de doelstellingen die een maatschappij nastreeft.

Energieliberalisering zorgt ook nog steeds niet voor positieve resultaten met betrekking tot het milieu. Doordat elektriciteit wordt behandeld als een goed hebben economische spelers zich meer gericht op het verkopen van meer kWh dan op de verlening van meer diensten met minder kWh. ‘Demand-Side Management’ (DSM) in nutsbedrijven is bijvoorbeeld drastisch afgenomen sinds de energieliberalisering. De belangrijkste reden hiervoor is dat concurrentie, als die er al is, draait om het verkopen van meer kWh tegen de prijs die de markt kan betalen (Union of Concerned Scientists, 2000).

In landen die ervoor kiezen om te beginnen met energieliberalisering door OEL’s uit te nodigen, is de situatie hetzelfde of erger. Aangezien velen van hen overeenkomsten voor de aankoop van energie tekenen, waarin vaak een take-or-pay clausule staat, worden ze niet geprikkeld om de energie-efficiëntie te verhogen: of ze de energie nu wel of niet nodig hebben en echt gebruiken, ze moeten er een vaste vergoeding voor betalen (zie Prayas, 1995 voor details). Kortom, door elektriciteit als een goed te beschouwen wordt de waarde van elektriciteit verder gescheiden van het daadwerkelijke gebruik waarvoor het wordt ingezet, waardoor de geïntegreerde benadering van het voldoen aan onze energiebehoefte tegen de laagste prijs voor de economie en het milieu, wordt verhinderd.

Als elektriciteit uit schonere bronnen gewonnen zou worden, konden de negatieve gevolgen van een verhoogd elektriciteitsgebruik kunnen worden beperkt. De neiging om elektriciteit als een goed te zien neemt echter eerder toe dan af, de “race naar de afgrond” in termen van milieutechnische profielen van het opwekken van energie. Aangezien de prijzen op de elektriciteitsmarkt de milieukosten niet volledig dekken, kunnen oude en vervuilende elektriciteitscentrales een concurrerend voordeel hebben ten opzichte van andere manieren van het opwekken van elektriciteit. Zolang er nog geen strengere milieuregels zijn, zullen geliberaliseerde elektriciteitsmarkten daarom het milieu schade toebrengen in hun zoektocht naar de goedkoopst verkrijgbare elektronen.