Maatschappelijke kosten van verlengde opening
Als het huidige overheidsbeleid ten aanzien van kernenergie wordt voortgezet, komen veel van de maatschappelijke kosten van verlengde opening van de kerncentrale Borssele niet voor rekening van de exploitant (EPZ). Ten eerste komen sommige kosten en risico’s gedeeltelijk voor rekening van de Nederlandse overheid, zoals de kosten van bewaking en
beveiliging van de centrale en afvaltransporten en de kosten van een
aansprakelijkheidsverzekering tegen de gevolgen van een kernongeluk. Terwijl andere maatschappelijke actoren in toenemende mate geacht worden zelf de met hun activiteiten samenhangende beveiligings- en verzekeringskosten te dragen, geldt dit uitgangspunt nog steeds niet voor de producenten van kernenergie.
Ten tweede mogen de exploitanten van kernenergie van de Nederlandse overheid bepaalde uitgaven naar de verre toekomst doorschuiven, waardoor deze uitgaven per definitie lager uitvallen. Dit geldt voor de kosten van een definitieve berging voor radioactief afval (uitgesteld tot 2130) en de kosten van ontmanteling van de kerncentrale (uitgesteld tot veertig jaar na beëindiging van de exploitatie). Toekomstige generaties worden daardoor
geconfronteerd met onopgeloste problemen waarvoor mogelijk onvoldoende middelen zijn gereserveerd en met de onmogelijkheid om de locatie van de kerncentrale na beëindiging van de exploitatie een andere bestemming te geven.
Ten derde gunt de Nederlandse overheid de exploitanten van kernenergie een duidelijk kostenvoordeel door opwerking van gebruikte kernstaven in La Hague (Frankrijk) toe te staan. Dit ondanks het feit dat de door Nederland ondertekende OSPAR Conventie een inspanningsverplichting oplegt om te streven naar directe opslag in plaats van opwerking en ondanks het feit dat bij opwerking plutonium vrijkomt dat gebruikt kan worden voor nucleaire
wapens.
Geconcludeerd kan daarom worden dat de Nederlandse overheid de producenten van kernenergie een voorkeursbehandeling geeft ten opzichte van andere producenten van energie en ten opzichte van andere maatschappelijke actoren. De overheid beschikt echter over goede argumenten op het gebied van externe veiligheid, milieubescherming, ruimtelijk-economisch beleid, bevordering van eerlijke en transparante marktwerking in de energiesector en zorg voor toekomstige generaties om deze voorkeursbehandeling van kernenergie ongedaan te maken en de maatschappelijke kosten van kernenergie daadwerkelijk in rekening te brengen bij de kernenergieproducenten. Deze inhoudelijke argumenten worden verder ondersteund door druk vanuit Europa om aan verschillende onderdelen van de Nederlandse voorkeursbehandeling een eind te maken:
· in veel Europese landen (Finland, Duitsland, Italië, Litouwen, Slovenië en Spanje) is directe ontmanteling na sluiting van een kerncentrale al voorgeschreven, terwijl andere landen (België, Frankrijk, Groot-Brittannië en Zweden) hun keuze nog moeten bepalen;
· de Europese Commissie heeft in januari 2003 voorgesteld dat de lidstaten een eindberging van hun radioactief afval vóór 2018 gerealiseerd zouden moeten hebben. Inmiddels is een specifieke datum uit het EC-voorstel verwijderd maar het lijkt aannemelijk dat daarmee de discussie niet ten einde is;
· verschillende Europese landen (België, Duitsland, Spanje, Zweden en Zwitserland) zijn inmiddels gestopt met het opwerken van gebruikte brandstofstaven, onder meer vanwege de OSPAR Conventie. Een Europees verbod op opwerking of sluiting van de fabriek in La Hague lijkt op termijn niet onmogelijk.
Vanwege inhoudelijke argumenten en Europese druk is het goed mogelijk dat de Nederlandse overheid in de toekomst een einde maakt aan de voorkeursbehandeling van producenten van kernenergie ten opzichte van andere producenten van energie en ten opzichte van andere maatschappelijke actoren. In de eerste plaats worden dan alle maatschappelijke kosten (op het gebied van beveiliging en aansprakelijkheid) doorberekend aan de producenten van kernenergie. In de tweede plaats worden bestaande nationale en internationale regels (op het gebied van veiligheid en milieubescherming) onverkort gehandhaafd, ook als dit nadelige financiële consequenties heeft voor de producenten van kernenergie. En ten derde streeft dit beleid naar het creëren van een level playing field
tussen verschillende energieproducenten, binnen Nederland en binnen Europa, onder meer door het volgen van het Europees beleid op het gebied van directe ontmanteling en opslag.

.png)


.jpg)